De invloed van 'Seeing' op de keuze van je pixelgrootte
Stel je voor: je hebt net een gloednieuwe planetaire camera gekocht, een ZWO ASI224MC, en je staat te popelen om de ringen van Saturnus vast te leggen. Je zet alles op scherp, start de opname, maar het beeld is een bruine, bewegende brij.
Je ziet geen details. Wat is er mis? Meestal ligt het niet aan je materiaal, maar aan de atmosfeer. Dat wazige-effect heet 'seeing' en het bepaalt voor een groot deel welke pixelgrootte voor jouw camera het beste werkt.
Wat is 'seeing' eigenlijk?
Seeing is simpel gezegd de stabiliteit van de lucht. Het is een maat voor hoeveel de atmosfeer trilt en rommelt.
Op een koude, heldere winteravond is de seeing vaak beter dan op een warme zomeravond. Waarom?
Omdat de grond nog warm is en lucht opstijgt, wat het beeld doet wazig worden. De seeing wordt vaak uitgedrukt in boogseconden. Een waarde van 2 tot 3 boogseconden is uitstekend, 4 tot 5 is redelijk, en boven de 6 is het vaak lastig om fijne details te zien.
Je kunt de seeing niet controleren, maar je kunt wel je apparatuur erop afstemmen. Een veelgemaakte fout is dat amateur-astrofotografen denken dat meer pixels altijd beter zijn. Maar als de seeing slecht is, heeft een hogere resolutie geen zin. Het is een beetje als een oude tv met een analoge antenne: meer pixels op het scherm helpt niet als het signaal ruis bevat.
Waarom pixels en seeing samenhangen
Je camera heeft een bepaalde pixelgrootte, bijvoorbeeld 3,75 micrometer bij een ZWO ASI178MC. Elke pixel vangt licht op en zet het om in een digitaal signaal.
Hoe kleiner de pixel, hoe meer pixels je nodig hebt om een object vast te leggen.
Maar de atmosfeer zorgt voor een natuurlijke limiet. Stel je voor dat je een telescoop met een brandpuntsafstand van 2000 mm gebruikt. Met een pixelgrootte van 3,75 micron is je schaal ongeveer 0,39 boogseconden per pixel.
De vuistregel voor pixelgrootte
Als de seeing 4 boogseconden is, kun je nooit meer details zien dan wat de atmosfeer toelaat. Je pixels zijn dan fijner dan de lucht zelf.
De truc is om je pixelgrootte te matchen met de seeing. Je wilt dat je pixelgrootte ongeveer overeenkomt met de resolutie van de atmosfeer. Zo voorkom je dat je te veel pixels verspilt aan details die er simpelweg niet zijn. Een goede vuistregel is: je pixelgrootte (in micrometer) moet ongeveer gelijk zijn aan je seeing (in boogseconden) gedeeld door 2 tot 3.
Bij een seeing van 4 boogseconden is een pixelgrootte van 1,5 tot 2 micrometer ideaal.
Maar als je een camera hebt met grotere pixels, zoals 5,5 micron, kun je nog steeds goede resultaten behalen door je telescoop aan te passen. Neem de ZWO ASI294MC Pro met pixels van 4,63 micron. Als je deze combineert met een Newton-telescoop van 250 mm brandpunt, krijg je een schaal van ongeveer 3,8 boogseconden per pixel.
Dat is prima voor een gemiddelde seeing van 4-5 boogseconden. Je pixels zijn dan net iets fijner dan de atmosfeer, wat ideaal is voor planetaire fotografie.
Als je pixels te groot zijn, verlies je details. Als ze te klein zijn, krijg je te maken met over-sampling, waarbij je meer data verzamelt dan nodig is, wat leidt tot grotere bestanden en langere verwerkingstijd zonder extra kwaliteit. Vergeet ook niet de invloed van de Bayer-matrix op je resolutie bij het kiezen van de juiste sensor.
Welke pixelgrootte kiezen voor jouw setup?
De keuze hangt af van drie factoren: je telescoop, je locatie en je doel. Voor deep-sky fotografie (sterrenstelsels, nevels) is een grovere pixelgrootte vaak beter, omdat je minder last hebt van seeing en meer licht per pixel vangt. Wil je je verder verdiepen in narrowband fotografie met een smart telescope, dan is dit een uitstekende manier om nevels haarscherp vast te leggen.
Voor planeten wil je fijnere pixels. Latijnse voorbeelden: Stel je bent in Nederland en je hebt een SkyWatcher 8" Dobson met een brandpuntsafstand van 1200 mm.
Je locatie heeft gemiddeld een seeing van 4 boogseconden. Kies dan een camera met pixels van 2 tot 3 micron, zoals de ZWO ASI120MC-S (3,75 micron). Dit geeft een schaal van ongeveer 0,65 boogseconden per pixel, wat goed matcht met de seeing.
De pixelgrootte is geen statische keuze; je moet hem afstemmen op je locatie en je telescoop.
Prijsindicaties voor cameras met verschillende pixelgroottes
Voor een meer serieuze setup, zoals een C8 SCT met 2032 mm brandpunt, kun je een camera met grotere pixels overwegen. De ZWO ASI294MC Pro (4,63 micron) geeft een schaal van 4,6 boogseconden.
Als je in een gebied met betere seeing woont (bijvoorbeeld de Canarische Eilanden), kun je fijnere pixels kiezen, zoals 2,4 micron van de ASI178MC. Goedkopere opties zijn vaak cameras met grotere pixels, omdat ze makkelijker te produceren zijn. De ZWO ASI120MC-S (3,75 micron) kost ongeveer €250-€300 en is een goede starter voor planeten. Voor fijnere pixels, zoals de ASI178MC (2,4 micron), betaal je rond €400-€450.
Deze is ideaal voor betere seeing-omstandigheden. Mid-range opties zijn de ASI294MC Pro (4,63 micron) voor ongeveer €800-€900, geschikt voor deep-sky en gemiddelde seeing.
Als je serieus planeten wilt fotograferen, kijk dan naar de ASI224MC (3,75 micron) voor €350-€400. Deze heeft een hoge gevoeligheid en past goed bij een gemiddelde seeing. High-end cameras zoals de ASI6200MM (3,76 micron) kosten €2000-€2500 en zijn voor professionals. Maar voor de meeste amateurs volstaat een camera van €300-€800, afhankelijk van je budget en doel.
Praktische tips voor het afstemmen op seeing
Controleer altijd de seeing voordat je gaat fotograferen. Gebruik apps zoals Clear Outside of Astroplanner om de verwachte seeing te checken.
Als de seeing slecht is (boven 5 boogseconden), kies dan voor een camera met grotere pixels of een lagere brandpuntsafstand. Test je setup met verschillende pixelgroottes.
Als je een camera met vaste pixels hebt, pas dan je telescoop aan. Gebruik een Barlow-lens om de brandpuntsafstand te verlengen voor fijnere pixels, of een verlengstuk om deze te verkorten voor grovere pixels. Een 2x Barlow op een 1200 mm telescoop geeft 2400 mm, wat de schaal verkleint. Investeer in een goede guiding-setup.
Als je een equatoriale monturing hebt, zoals een SkyWatcher HEQ5, gebruik dan een autoguider om trillingen te minimaliseren.
Dit helpt om beter gebruik te maken van je pixels, zelfs bij wisselende seeing. Verwerk je beelden slim. Als je serieus met astrofotografie aan de slag gaat, ontdek dan de voordelen van een gekoelde astro-camera vs een DSLR. Gebruik software zoals SharpCap of FireCapture voor planetaire opnames, en stacking in Autostakkert! om ruis te verminderen.
Bij deep-sky, gebruik PixInsight of DeepSkyStacker. Onthoud: minder pixels betekent minder data, maar als je pixels goed matchen, krijg je scherpere resultaten.
Als je twijfelt, begin dan met een middenweg. Een camera van €400-€500 met pixels van 3-4 micron is vaak de beste investering voor de meeste amateurs in Nederland.
Pas je setup aan naarmate je locatie en ervaring verbeteren.
